Complexe term die zowel op een chronologisch af te bakenen cultuurbeweging slaat (historische romantiek) als, meer algemeen, op een thematiek, stijlkenmerk en levenshouding die zich los van deze periode manifesteren.

Doorgaans verstaat men onder historische romantiek het conglomeraat van tijdsgeest en artistieke productie dat op het einde van de achttiende eeuw ontstond (preromantiek, Sturm und Drang) en zich tot ver in de eerste helft van de negentiende eeuw over Europa verspreidde. De term duikt op in de achttiende eeuw met diverse betekenissen: poëtisch, afwijkend van de werkelijkheid, hypergevoelig, fantastisch. In de middens van de rationalistische verlichting heeft hij een negatieve connotatie. Toch zou de voorkeur voor het irrationele, het individuele gevoelsleven en het mysterie geleidelijk aan een dominant cultuurpatroon worden.

Bij wijze van schematisering kunnen de volgende constanten aangegeven worden: het verheerlijken van en evasie naar de natuur, het verleden, het exotische, het donkere mysterie; de cultus van de emotionaliteit en het sensualisme; opstandigheid tegen de bornerende burgerlijkheid en verachting voor of lijden aan de wereld (weltschmerz ); originaliteit in plaats van imitatie (sien imitatio), het poneren van de nationale identiteit, interesse voor folklore, volks taalgebruik en het primitieve; belangstelling voor mysticisme en religiositeit. Het extatisch gevoelsleven wordt vaak tegelijkertijd voorwerp van zelfspot (romantische ironie).

De weg naar de romantiek werd gebaand door bepaalde filosofische invloeden als Shaftesbury’s concept van het genie, discussies over het sublieme (Burke), piëtistische en theosofische onderstromen tijdens de verlichting, Herders organische opvatting van het universum en van de geschiedenis, enz. De vertaling en bewerking in Duitsland en Frankrijk van Shakespeares werk was enorm belangrijk, en de romantische sensibiliteit vond in Youngs Conjectures on Original Composition (1759) een belangrijke inspiratiebron. Voorlopers, c.q. verschijningsvormen zijn het sentimentalisme, de (vervalste) uitgaven van aloude volkspoëzie (orale literatuur, ossianisme [sien ossianistische poëzie] ), de bekentenisliteratuur van Rousseau, larmoyante graveyard  poëzie (Thomas Gray), fantastiek en gruwelproza (gothic novel) met zijn voorkeur voor het unheimliche en het bovennatuurlijke en zijn typische setting in middeleeuwse kastelen en ruïnes (Walpole, Radcliffe). In het kader van een heroplevend nationalisme kan ook de historische roman  vermeld worden (Scott, Victor Hugo, Conscience). De ballade (Percy, van Duyse) is een druk beoefend genre, alsmede de lierzang, die in zuiver lyrische toon de natuur, de liefde, de dood bezingt (de Musset, Tollens) en de tijdzang, d.w.z. het plechtig relaas van grote gebeurtenissen (Da Costa, Potgieter).

In de Duitse romantiek onderscheidt men de Frühromantik en de Hochromantik. De Frühromantik, vooral geconcentreerd in Berlijn en Jena, is te situeren laat achttiende, begin negentiende eeuw, met als centrale figuren de gebroeders Schlegel en verder de dichters Wackenroder, Tieck en Novalis, de godsdienstfilosoof Schleiermacher en de natuurfilosoof Schelling. Tot de jongere generatie, ook wel Heidelbergromantici of Hochromantiker genoemd, rekent men Brentano, Hoffmann, Mörike en Eichendorff. Naast de fascinatie voor het verleden, de natuur en het eenvoudige, concentreerden ze zich ook op het erotische (vaak verbonden met het demonische en bovennatuurlijke), het Germaans-nationale, het legendarische en het volkse (Grimm).

In Engeland manifesteerde de romantiek zich nauwelijks als een coherente beweging. Naast William Blake en de gothic novelists dienen historische-romanschrijvers als Walter Scott, en dichters als Wordsworth, Coleridge, Shelley, Keats en Byron (cf. byronic hero) vermeld te worden. De overgang naar de romantiek verliep er geleidelijker en informeler, met een herwaardering van de eigen traditie: Spenser, Milton, Shakespeare. Gezien de sterke nawerking van classicisme en neoclassicisme en de afkeer van buitenlandse invloeden breekt de volle romantiek in Frankrijk pas echt door met Victor Hugo’s Cénacle van 1827. Daarvoor hadden echter Mme de Staëls De l’Allemagne (1813) en Chateaubriands Atala (1801) al sterke indicaties in de richting van de romantiek gegeven. Notoire vertegenwoordigers zijn de Nerval, Lamartine, Vigny, de Musset en Dumas. Voor Italië kunnen we Manzoni, Ortis, Foscolo en Leopardi vermelden en in Spanje Martínez de la Rosa, García Guttiérez, José de Cadalso en Zorilla.

Wat het Nederlandse taalgebied betreft kan men moeilijk van een omvattende en intense romantische literatuur gewagen. Vanaf 1780 wijzen de volgende gegevens toch in die richting: de belangstelling voor het kind (Van Alphen, Wolff en Deken), interesse voor het historische en legendarische (Staring), sentimentaliteit (Feith). Omstreeks 1830 kan men van een bloei spreken, waarbij vooral de nationale bezieling primeert. Potgieter en Bakhuizen in het Noorden, Jan Frans Willems en zijn volgelingen in het Zuiden (o.m. Conscience met De Leeuw van Vlaanderen, 1838) vertegenwoordigen minder een individualistisch beleven van uitersten van gevoel, verbeelding en vrijheidsdrang, dan wel de herleving van het nationale zelfbewustzijn. De Nederlandse romantiek is sterk ethisch van inslag en idealistisch-opvoedend van opzet. Het best vertegenwoordigd zijn de dichters die het huiselijke leven (haardpoëzie, biedermeier) en de godsdienst bezingen in sentimenteel-didactische trant (Ter Haar, Ten Kate, Schaepman).

Literatuur: W. van den Berg, De ontwikkeling van de term ‘Romantiek’ en zijn varianten in Nederland tot 1840, 1973. M. Cranston, The Romantic Movement, 1994.  A. Day, Romanticism (The New Critical Idiom), 1995. M. Brix, Le romantisme français, 1999. D. Kaiser, Romanticism, Aesthetics and Nationalism, 1999. W. van den Berg, ‘Romantiek’ in Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek, 2004, pp. 235-274. M. Mathijsen, Nederlandse literatuur van de romantiek (1820-1880), 2004. M. Ferber, A Companion to European Romanticism, 2005.